Spelling

Ook in onze streektaal kunnen we niet om de spelling heen. Ook al is onze taal eigenlijk een taal die je moet horen, je hebt afspraken nodig om de teksten te kunnen lezen. Ons bestuurslid Paul Will stelde al weer enige jaren geleden de belangrijkste regels op. Hieronder vindt u een kort overzicht van die regels. Tevens laten we u zien (op termijn ook wellicht horen) hoe onze letters klinken.De spelling op de helling

Spelling

Weet u, het Alblasserwaards-Vijfheerenlands was tot voor kort, als vele andere Hollandse dialecten, bijna uitsluitend een gesproken taaltje. Het bestuur der Stichting Streektaal AV zag als een gewichtige taak dit streekdialect te verletteren.

De uitgangspunten voor de verlettering van deze gebruikstaal:

  1. Je moet alle moeite doen de dialectklanken zo zuiver mogelijk weer te geven.
  2. Ter wille van de leesbaarheid moet men dit weliswaar niet tot de fijnste nuanceringen doorvoeren.
  3. Het blijve een eenheid in verscheidenheid; wel behoren in een en hetzelfde stuk dezelfde klanken op eendere wijze gespeld te worden.
  4. De leesbaarheid en daardoor de verstaanbaarheid staat hoog genoteerd: daarom dient men niet onnodig af te wijken van de huidige spelling van het Standaardnederlands.
  5. Omwille van de rust in de tekst maken we zo weinig mogelijk gebruik van extra leestekens en uitspruitsels, zoals accent- en bijtekens, dakjes en verbindings-streepjes.

Vooral punt 4 weegt zwaar: niet onnodig afwijken van de thans in de mode zijnde spellingregeling bij de standaardtaal.
Verder geven we geen compleet abecedarium, maar behandelen enkel de van het gangbare Nederlands afwijkende klanken.

1: DE KLINKERS

  1. a/aa; je hebt twee soorten: korte en lange
  2. de korte a van bijv. allemachtig wordt met wijdere mond uitgesproken.; indien die ook gerekt wordt, dan schrijven we dubbel aa, als in Baartels.
  3. de lange aa schrijf je als a in open lettergrepen, anders aa of ao ( al naar deze klinkt als bijv. in het Eng. small ), ook wel èè (luister naar het leenwoord misère ) , terwijl Sliedrecht e.o. de voorkeur geeft aan de schrijfwijze ae (bijv. waard/wa-ord/wèèrd/waerd.
  4. e/ee; e = korte e of è (in mè = met) en met dubbel èè als in stripverhalen een ballonwoord als hèèlp, moedèèr wanneer die klank behoorlijk lang wordt aangehouden.
  5. de lange ee noteer je als e in open lettergrepen, anders ee of êê. Zo luidt het begin van eerst en êênder gelijk. In dat geval spreekt men de ee uit alsof er een r volgt. Kennelijk is die r een dominant baasje in onze contreie!
  6. Soms treedt er een duidelijke verkleuring op aan het woordeinde; hoor maar naar letterwoorden als N.C.R.V., E.O. of okay; de klinker verglijdt naar een j of w; die zou je kunnen weergeven als respectievelijk -eej en -oow. Okeej?
  7. o/oo; o = korte o. ’n Boer en ’n zog die hebbe nôôit genog.
  8. de lange oo schrijf je als o in open lettergrepen; anders oo of ôô. Evenals de ee ondergaat in vele woorden en A/V-oorden de oo een verandering: ’t is net of er een r volgt, maar ht zijn een d, t of l.De ôô in grôôte schôôl klinkt als in het woordpaar Poortse koor.
  9. oneffenheden als in bureau worden gladgestreken: buro, kado, klakson, etcetera.
  10. u/uu; de korte u is gelijkluidend aan de e van het lidwoord de, toch behouden we die u als betekenisonderscheidend element. Zet maar ’s naast elkaar de termen: katterig en kattenrug, je hoort hetzelfde, maar het ene voelt heel anders aan als het andere.
  11. Je zou de u tevens kunnen gebruiken om de roep volluk vast te leggen. Weerom een redelijk alternatief bij het lijzig aanhouden van kerk en melk; we kiezen in die gevallen wel voor een e i.p.v. een u, in navolging van de standaardtaal: dus kerrek, mellek. Een tweede mogelijkheid is respect. mèèlk, kèèrk/kaark).
  12. Het is echter niet de bedoeling dat u overal die e inlast; dat moet alleen gebeuren als uit de contekst blijkt dat zo’n woord inderdaad ’n staort/start/stèèrt/stert krijgt’.

2: DE TWEEKLANKEN

  1. Ook hier zijn er korte en lange; eerst de korte aan de orde: – De tweeëiige tweeling ei/ij klinken hier en daar een tikje ai-achtig, dan schrijven we die ook als ai; zo rijmt het AV-woord laif op het Engelse life. U snapt wel dat het d/t-paar dan best een zware taak heeft in het duo: pubertait /pubertaid!
  2. In Sliedrechtse oren klinkt de ei als ai/aai (klaai, aaiere), maar de ij in rijkdom spreken de baggeraars schoon en beschaafd uit. Geldt trouwens eveneens voor modernere ei-vormen als terrein en trein. Die nieuwlichters zijn en blijven buiten-staanders.
  3. De ij in het achtervoegsel -lijk willen wij -evenals de i van -ig (êêuwighaid) handhaven, gehoor gevend aan het uitgangspunt d, dus niks gin vrolek/vroluk of vurrukkuluk, daar worden wij echt niet vrolukker van.
  4. Bij ou/au is au onze eerste keus, als deze tweeklank wat a-achtig van start gaat, ‘rijmend’ op miauwen: ’n echten deurdauwer, diejen rauwdauwer; jij mot nie zo mauwe.
  5. Nau, nau!.In kauwauwe is een verdubbeling wel aardig, zeker als dit lang gaat duren: kaauwaauwe, blaauw van de kou. Is het verschil dus hoorbaar zoals bij getrouwe Sliedrechtenaren die tegen ou ou zeggen, dan ook de ou handhaven. Nou en?
  6. De combinatie -eau bergen we op op de taalrommelzolder en brengen akwarelle as kedo naor ’t pliesiebero. Vindt u deze aanpassing te gedurfd, te progressief? So what, dan houdt u het bij het oud vertrouwde.
  7. ui = ui of oi; dit laatste, wanneer het klinkt als in het uitheemse boiler of voice-mail, bijv. van hois oit loi zijn, da binne de AV-ers nie!
  8. En wat doeneme met de stapeling: Wat mot ta bedoi-je, kroi-jenier? Je mag driemaol raoi-je/raoie? Wie iets beters weet, dat hij het zegge!
  9. De lange tweeklanken zijn: eeu-; ieu-; aai en ooi, eeuw heeft als alternatief êêuw, als het begin rijmt op êên; we handhaven de u in de combinatie -weer uitgangspunt d.
  10. ieu is soms uuw of uut in nieuw (nuuw, nuuft, nuut).
  11. aai is meestal aoi Let wel: hier en daar hoor je: ik gaoi, en wat doe je met sla die deurschiet naar slaoi/slaoj? Voor de -i en de -j zie onder 3:
3: DE STEMMELOZE KLINKER

Even een terzijde: Op een van onze voordrachtsbijeenkomsten trok een meedenkende Mauwerdman aan mn mouw en vroeg of dat ‘stemmeloos’ niet ‘stemloos’ had moeten zijn en een beetje triomfantelijk voegde hij eraan toe: Van Dale kent het woord niet eens! En ja dat is dan het eind van alle tegenspraak. Hoe-wel: onder ‘stemloos’ verstaat de taalkunde ‘een klank produceren zonder dat de 3:4: DE TUSSEN- of OVERGANGSKLANKEN; nl. de -j en de -w

  1. i of j als ‘brug’ in koeie loeie en koeienere. Komt het niet voor in het Standaard- nederlands, dan liefst een j, bijv. in de uitroep Goeie, wat n hoeje! Doei! Kwaoie èèrpels rôôie en rôôie kôôl pôôte.
  2. Tevens komt de d vermomd voor als w, i of j in gouwe ouwe en kauwe kak, in lôôje pijpe, brôôje, of blij met ’n dôôie mus. Alsmede de oe wordt dikwijls gevolgd door een i of een j ‘k bin zo moei/moej. Maar ’t is weer wel: de koei loeit. In het algemeen stellen we: d wordt j, maar de i kan ook, zeker als deze in de gangbare spelling gebruikt wordt, zoals in: dôôie diender en de dôôie vissiesvreter.
    stembanden in trilling worden gebracht’ en bij elke klinker doen ze dat wel, dus ook die e is niet stemloos. Men noemt hem ook wel de stomme klinker, maar dat vond ik zo stom klinken. Dat had ik eerst staan, toen moest ik echter denken aan het boek Handelingen, kapittel 8, aan die prachtige passage aangaande de kamerling, die de wondere lifter Filippus hoorde lezen uit de profeet Jesaja van een lam dat stem-meloos was, terwijl in Jesaja 53 dit woord met ‘stom’ vertaald is. Evenzo is -met alle eerbied gesproken- die e, ons Klein Duimpje onder de klinkers ietsje stemmeloos.
  3. De kleurloze e in de, het en een handhaven we, maar we pakken wel het donderkopje bij zijn staart. Zeker gebruiken we die hangende komma in: ‘t, ‘n, d’n en d’r en z’n, als ze gebruikt worden in de directe rede.
  4. u in plaats van e kan wel af en toe in combinaties als veur hum (hangt mede af van het accent en plaats van het woord in de zin)
5: DE MEDEKLINKERS
Het zij nogmaals gezegd: we behandelen alleen die gevallen die spellingtwijfel oproepen.

  1. c = mag k worden in ondermeer importwoorden als dialekt, klakson of konsert.
  2. c = s in persies of avesere, sirkel, maar mag een c blijven.
  3. De c blijft wel gehandhaafd in de combinatie ch en sch, bijv. in verkleinvormen als jonchie en vrouwchie/vrauwchie. Of moet het jongchie, dingchie zijn?
  4. d = d; voor de schrijfwijze van d/t houden we ons zoveel mogelijk aan de spelregels: erreges benuuwd naor zijn. Bogerd heeft Zomedêên en datteme/daddeme toffe jonges zijn, weten we.
  5. In een zin als: Wie is dat daar = iz da daor of is ta taor moet u horen en zien maar op elkaar laten aansluiten. Evenzo met Daor is tie en Toen kwam(p) tie.
  6. g of ch? We passen ons aan bij het geldende systeem, dus: Zachies lache, we magge ommers nie klaoge.
  7. Bij de verkleiningsvorm geven we de voorkeur aan -chie:De ouwchies/auwchies
    doene ’t nog goed. Voor bruggie, etc, maken we wel een uitzondering,
  8. De slot-n schittert veelal door afwezigheid, vooral bij de volle werkwoorden: We komme wel effe buurte, mor we blaive nie lang, da doene me nie.
  9. De n kan wel een bruggetje vormen in een zinnetje als bijv.: ’t Is daor ’n kommen en gaon van boeren en burgers.
  10. In woorden als Frans en mens (Mens, mens, wat ’n taol, da Frans) kan de uitstraling van dien aard zijn, dat de neusklank zich meedeelt aan de voorafgaande klinker, terwijl ze zelf min of meer verdwijnt: fraans mèèns.
  11. Hoewel zelfs de supermarkten in onze contreien hun best doen de x en de q af te schaffen; er was namelijk geen chocoladelettter-in-dier-voege in het rek versnaperingen te vinden, menen wij dat je dat niet al te rigoureus moet doen.
  12. q = kw in een term als melkkwotum, kwaozie. q = k in karantèène en kiet speule.
  13. de schrijfwijze q(u) is echter een redelijk alternatief, wel hebben we een zekere voorkeur voor aanpassing, zeker als het woord wat plat uitgesproken wordt.
  14. s = s of z in wa is ta of iz da (geen verbindingsstreepje). In een zin als die komme maor azze ze zin hebbe; azzie zin heb, kom je maor, is een en ander anmekaorgeplakt.
  15. x = liefst ks, dan kenneme ’n ekspèèr laote ekspierementere mit de pèèrdebokse; ’t laikent wel ’n soortemint eksaome. Luxe waoges mit luxzêêp wasse, hoeft niet luuks te worden.
6: ENKEL OF DUBBEL
In het woordpaar huize/hoize hoog/hôôg is z = z, dat is wel duidelijk, maar hoe duiden we ze aan als die wat lager zijn: huisies dus? En wat doen we met het trio huis(s)ies, boompies, be(es)sies?
Wie draagt m.n. voor dat laatste woordtype een bevredigende oplossing aan?
7: AAN ELKAAR OF LOS
  1. Van verbindingsstreepjes zien we helemaal af: komt tie of komtie nie? Wat doen we bij achterplaatsing van jij en hij, jij = ie en hij  tie. Zou ook een t aan de persoonsvorm vastplakken misstaan, dus Komt tie of komt tie nie?
  2. Dus geen verbindingsstreepjes, liever zetten we af en toe twee woorden aaneen, zoals in: ovve we, gaonemenau, waffere momme, laome nie lache.