Kenmerken van het A&V

KENMERKEN VAN DE STREEKTAAL VAN DE ALBLASSERWAARD EN DE VIJFHEERENLANDEN

Eerst even een breed verspreid misverstand rechtzetten:
Dialect is geen slordige verbastering van het Standaard Nederlands (SN). Het is bijna andersom.
Het Standaard Nederlands is pas in de 16e eeuw door taalkundigen geconstrueerd omdat er toen behoeft was aan een eenheidstaal voor regeringsdocumenten en de Bijbelvertaling. Dialecten zijn de oorspronelijke en authetieke taalvormen van ons land.

Streektaal is veel meer dan ‘plat praote’ Het is een rijk cultuurhistorisch taalfenomeen. Onze streektaal heeft een eigen woordenschat, eigen spreekwoorden, een eigen grammatica en eigen typische zinsbouw.

Hieronder meer daarover

1. Een eigen woordenschat.
Onze streektaal heeft veel woorden die je te vergeefs in de Van Dale zult zoeken. Zoals bijvoorbeeld:
o Deemstig, deemsterig, dimstig, daainzig; nevelig, heiig, mistig, vaak ook wat schemerig erbij.
o Bunseme, bizze, bere, bèère, klitsbille, kwisbille, rêêpe; onrustig heen en weer lopen.
o Himphamp, slôôtzèès, smak; soort zeis met wat gebogen uiteinde en lange steel om dieper vaststaande planten te verwijderen. As ‘n Asper je om ‘n smak vraogt en je gift ‘m dan ‘n himphamp mee, dan ki je ’n potje bai ‘m breke

Veel meer van deze woorden kunt u vinden onder de knop WOORDENLIJST.

2. Een andere woordenschat.
Het lijken herkenbare woorden, maar toch staan ze niet in de Van Dale. Soms ook woorden die uit het SN verdwenen zijn maar die nog wel keven in onze Streektaal. Astrant bijvoorbeeld.
o Hekse; 1. bij dieren knie-, enkelgewricht; bij mensen kuiten. Anderande plekke an de bêêne of pôôte worre bedoeld as t’r over hekse gepraot wordt. 2. toveren. ‘k Ken nie hekse.
o . Hoeneer; wanneer, vraag naar tijd. Hoeneer mag t’r mis uitgereeje worre?
o Gunderwijd, gunterwaid, guterwaaid, daogunter; ginds, daarginder. Daogunter zie je de meules van de Kinderdijk en effe verderop zie je gunterwaid de meules van Ammers.
Veel meer van deze woorden kunt u vinden onder de knop WOORDENLIJST

3. Spreekwoorden en zegswijzen.
Enkele voorbeelden:
o Het mot eerst warre wil’t rêêje; Pas als de boel behoorlijk in het honderd gelopen is, komt er klaarheid
o De lucht verèèremoeit: Er komen steeds meer donker wolken opzetten.
o Bai hum mot het ok twaolf aaier in een nessie zijn; Alles moet precies zo gaan als die persoon denkt dat het moet, anders is er paniek
Veel meer van deze uitdrukkingen kunt u vinden onder de knop WOORDENLIJST. .

4. Anderande woord- en zinsvormen van achtere bekeke – Tekst Paul Wil
. Ooit woonde d’r bij ons in de buurt ‘n besje dat iederêên kinde as Opoe-de-mus. Dit oudje droeg namelijk zo’n neepiesmus (= kneepmuts), die net als zoveel oud vertrouwds is verdwenen. Maar wat we met die mindering van muts > mus willen aantonen, is dat zo’n ts > s een kenmerk is van de streekspraak – en niet alleen van de onze -. Die vergemakkelijkt de spraak en is dus een kwestie van gemakzucht, ofwel men volgt het principe van de minste weerstand. Je kunt het ook complimenteuzer uitdrukken: die bondigheid is een vorm van energiebesparing. Nu is het typerend dat zowel woordverkortingen als -verlengingen dit bewijzen. Met een knipoogje naar kadasterkaarten spreekt de goegemeente van de Prelweg (= Parallelweg), Horweg en de Gôôsiesweg, die legt tusse Noorlus en

Gouwerjaon. Buurtschappen en durpe as Treffelee (= Recht van Ter Leede), Melkoop, Kekum, Lekkeland, Harveld, Braonk, Meulesgrèèf en Wingerde.
Makkelijker klinkt ook: In Willige Langerak mosse arrebeiers zonder werrek naor de steun, da was erreg. Van Pesallem êênentachentig zongen we dikkels vers twaolef. Merk op hoe in onbeklemtoonde lettergrepen het aantal toonloze klinkers toeneemt: pelisie, fernuis, petoffel, bekant of ‘t nog meer laten afweten, zoals in op ’t lest lope, bogerd, daolijk, dikkels, krek en drek (resp. verdoezeld uit correct en direct), vullis, truste, werachies, evel, zukke en zo verder.
Die e mag dan een kleurloze klinker heten, maar hij doet ontzaggelijk veul: Die is al tachentig heeft toch een andere gevoelswaarde en zegt meer dan kortaf ‘tachtig’. En wat dacht u van allemachtig en fesoendelijk? Glinstert in de zegging van dat laatste treuzelwoord niet ietwat door van een eigengereide opvatting van wat hoort?

Een ceel curiosa
Mogen we nog even het deurtje van het taal-rariteitenkabinetje openen, waarin een ceel curiosa uit de groene A&V-grammatica zijn opgeslagen. We sommen wat merkwaardigheden op die weliswaar soms krekêênderande trekkies vertonen als de buurdialecten uit o.a. de andere Waarden en de algemene volkstaal.

o Beginnen we met de ruggengraat van de zin: het werkwoord. Bepaalde vormen raken bijv. door t-verlies ont-end: Ze doch en ze wis bijnao zeker: dien ouwen baos lop nie meer zo hard. Idem gaat de t teloor in klessebesse, schoene poese, grôôs praote (= SN proberen te spreken).
o Een t-extra: As ik nou ‘s begint, neeje, ik doet ‘t toch maor nie (nie minus die t).
o Er zijn nog een heleboel ouwe taaie sterke werkwoorden zoals: vatte-viet, breie-bree-gebreeje, plukke-geplokke; vrije-vree-gevreeje, gerôôle, wage-woeg, klaoge-kloeg en uitgescheeje. Een tegenstrever is de vervoeging van het ww. bidden. Is dat ‘bad-gebeden’ wellicht te hoog bevonden voor het beschamende: Hemme al gebid?
o Bij de vervoeging van het ww. ‘houden’ is er verschil tussen hiel, hieuw en hief: Je hiel mekaor toch vast, azzie veul van hum of haor hieuw enne… je hief mekaor nie veur de gek.
o Moeten = willen in: Mot jij nog ’n bakkie? Niks te motte, het is vrindelijk bedoeld.
o Het ww. ‘doen’ komt veel voor: Doe jij dat effe hellepe opraope en klaormaoke?
Dat geldt ook voor het ww. liggen; het valt zelfs samen met leggen:. Van alles legt hiero, nie inkeld de kippe. Mins. Mins, opoe is me toch gaon legge valle, ze mot vast nog weke legge. D’r op gaon legge wil zeggen: geen wekker nodig hebben en omlegge is gezetter worden. Enne… waor hebbie nou in vredesnaom da boek gelege?
o Idem vertilt men zich aan ‘kennen’ en ‘kunnen’: Ken ‘t zijn dat ik jou kan?

Het zelstandig naamwoord
Een typerend zelfstandig naamwoord in onze streek is bijv. het woord koei. Dit krijgt een j-naslag en kan zowel enkelvoud als meervoud zijn. De koei naor veurene haole, kan er eentje of een hele koppel zijn. Het is streekgebonden, maar het voordeel is dat het hoorbare verschil tussen koei / koeie minder misverstand oplevert. Het daarop rijmende woord: roei als oppervlaktemaat, heeft iets dergelijks, maar het past weer wel in het rijtje van hoeveelheids-aanduidingen als: zoveel man, hoeveel liter, op de been brengen, enzovoorts.
En erpel kan ook een maaltje of nog meer zijn. We kennen nog meer van die dinger.
o Hekke(n)s voor ‘hekken’ is wel een beetje dubbelop; dat zie je ook in kalveren en laat nou de streektaal de oudere vorm kalver en keinder / kijnder bewaard hebben.
Evenzo heeft de constatering: Die vinters zijn vrimdes een dubbele betekenis.

Ook naamvallen
o De oude naamvalsvormen -e of -s kom je tegen bij voor- en achternamen van personen of verwantschapsnamen. Ze sture je van Piete naor Pauwe. Gaoneme naor zusse en opoes of eerst naor buurmanne? Is dien akker nou van Jongeneele of van Weeda’s? In de onderwerpspositie is het niet gepast en leidt tot pseudo-dialect: Moeder zee altijd…, niet moeders.
Ook mag er niets extra’s voorafgaan of volgen: Laome naor opao Nouland gaon, en assieblief nie naor tante
Kneel.
o Die –e geldt eveneens voor constateringen als: Da’s Janne pet. Triene jas, een alternatief voor: Jan z’n pet en Trien d’r jas.

Verkleinwoorden
o Naast meervouds- en buigingsvormen kennen we ook diverse verkleiningsvormen.
De -je wordt omgebogen tot –ie (koppie, op ‘n draofie), de tje > tie of tjie (resp. jaortie en koppeltjie) en etje > echie (kommechie), gje > chie (koeichie), pje > pie (bezempie) en kje > kie in o.a. woninkie. Langs de Merwe en wat hoger hoor je –sie vurme in bijv. baksie. Zijn die als de paolinksies en meziksies (= muggen) soms komme overzwimme of –vliege?

De slot-N
Deze wordt in het A&V amper gehoord, alleen als het volgwoord met een klinker begint, bijv. in een gezegde als: praoten en breie gaon nie goed saome,. Dit geldt voor vrijwel alle woordsoorten, zoals het werkwoord en zelfst. naamw. en speciaal voor de verbogen vorm van ‘de’ als den.

Het Lidwoord
‘t Kammeraodjie van het zelfst. naamw. Is het lidwoord. In deze regio bewijzen algemeen verbreide eigennamen het voorkomen van die buiging-n bij ‘de’. Sla het telefoonboek maar op en je treft ze volop aan:
Den Bakker, Den Breejen, Den Dikken, Den Hartog of den Hertog, Den Oudsten, Den Otter en Den Toom.
En wie kent niet uitdrukkingen als: d’n dijk of d’n boer opgaon, d’n hort op, die is d’n huis uit?
o Soms zelfs doet het bijv. naamw. mee: Ik had gien drogen draod meer an me laif.
o Af en toe doen de/het overlopersie: de/het krôôs, de/het schôôl, de /het rooster, de/het aanrecht, de/het krat en iets deur de midde breke.
o Ik kom een zondag = a.s. Van de zomer = deze.

Het bijvoeglijke naamwoord en het bijwoord.
Vergrotende trappen vallen op: dunder, fainder, klèènder, beterder, dieperder, zachiesder.
o En die op –achtig, soms voorafgegaan door ‘soort’ of door een ontkenning: ‘t Is soort regenachtig ofwel: ’t regent soort, niet erg domeniesachtig zijn.
o Bijwoorden krijgen een e extra: in naor bovene of naor buitene, naor veurene, hierene, andere een versterkende t (ook als d gespeld), bijv. in dubbeld en dwars, inkeld, genogt.
o Weet jij dat Adrie aordig ziek is gewist? Heeft in deze meelevende mededeling – onlangs hier opgevangen – het bijwoord ‘aardig’ niet een tikje eigenaardige betekenis en gevoelswaarde gekregen?
o Het achter- of tussenvoegsel –ig komt meer voor dan in het SN, en wel bij diverse woordsoorten zoals alléénig, ontig, bunzig, pierig, vrijigheid, gelegenigheid, jaloersigheid en achterkontig = kat uit de boom kijkerig. Is dat volgens buitenstaanders niet een soort trekje van ons poldervolk?

Voegwoorden resp. voorzetsels.
Soms als toegift in zinnen als: ’k Bin benieuwd wat of dat ie zegt’. Eveneens in: Hij kin d’r nie van buite.
o Het voorzetsel ‘van’ wordt te pas, maar meer te onpas gebruikt: Die zegt altijd van die gekke dinge. Of een voorzetsel wisselt van plek: Waor is dat nôôdig veur?
o Eveneens het wisselend voorzetsel bij plaatsnamen: op/in Ammers, Gouwerjaon, etc. Hierbij spelen grootte en ligging (hoog of laag) of afstand o.m. een rol.
o Iets soortgelijks doet zich eveneens voor bij de beantwoording van de vervolgvraag waar je precies woont. Je woont op een weg, een dijk of een gracht, maar in een straat of steeg(t).
o Sorry, de zgn. stotterherhaling, die heel typerend en apart is voor de Waard, past niet geheel onder deze kop, maar een kniesoor die daarop let. Dat azze ze, dadde we en ovve me komt voor in zinnen waar sprake is van meervoudige persoonsvormen die even op zich laten wachten. Daarbij wordt die voorbarigheids–e gekoppeld aan het eerder genoemde woord. Azze ze op huis angonge, wisse ze niet ovve ze lopes zouwe gaon of mit de bus.
o We komen nog even terug op dat veurene, dat een makker heeft: veur(e). Dit luistert nauw: veurene/veurne duidt meer de beweging aan dan de plaats, maar niet overal: loop maor vast veur.

Persoonlijke- en andere voornaamwoorden.
Voor een beetje boer is bijv. een koe – hoewel vrouwelijk – altijd een ‘hij’.
o De 17de-eeuwse vormen ‘zijlieden’ en ‘hunlieden’ zijn – zij het een tikje verminkt – bewaard gebleven in resp. zullie en hullie. Zullie hebbe ’t zellef gezeed, hem (hum) z’n boek of hum boek, hullie of hullie d’r vader. In Asperen komt zelfs gullie voor, onder Gelderse invloed? Zij is krek zo grôôt as mijn. Mijn hebbie. Die fiets, is dat de jouwes? Ik dee ’t uit m’n eige i.p.v mezelf; dat aige/èège/eige is heel eigen in het A&V.
o Zelfs in woordzinnen raken bepaalde voornaamwoorden op de achtergrond en ’t lijkent dan op ‘n zoekplaotjie: Waffere momme, d’n dieje of d’n deuze? Hoelekedoemenou?
o Bij diverse woordsoorten behoort zo’n s-plus als in jouwes. De vraoges veur de leeres (had te maken met de catechisatie, waar je echter niet de vragen, maar de antwoorden moest leren opzeggen). Je kin grommes krijge, van melkes komme, weing stokes hebbe, tweedes of derdes (eveneens eesie, tweesie driesie) zijn en gaome lopes?
o Het aanwenden van die s-jes wijst erop dat we wel ‘n bietjie ‘n kneuterig volkie zijn, wat weer niet uitsluitend voor de A&V-taligen geldt. Let eens op het overdadig gebruik van verkleinwoorden met hullie kommechies koffie met ‘n koekie of ‘n sukkelaotjie en na ’t middagmaol effe legge te legge en ‘s aoves bij ‘n spellechie of ‘n feessie ‘n taorechie of ‘n borreltjie mit wat happies. Ook andere dan zelfst. naamw. vertonen dat knusse: korties bij dichies, warmpies, strakkies, effentjies en werachies.
5. De klanken van het A&V
Doet u mee een duik neme, waarbij we beginnen met de klinkers, op te diepen. Zonder oordopjes te gebruiken zullen de oren der horenden opmerken dat in onze contreie bepaalde klinkers hun eigen wijs volgen. Men lette op de zeggingskracht van de korte en de lange a: beide lijden aan verrekking. De a van bijv. allemachtig wordt gerekt en met wijdere mond uitgesproken. Kennelijk vonden ‘welgeborenen‘ en hooggeleerde spraakkunstigen in den lande die grote mond niet netjes en regelden iets ‘verfijnders’.
O ja, de term ‘spraakkunstige’ klinkt wel wat vriendelijker dan het beroep in het vorige kapittel genoemd: ‘taalkunstenmaker’, maar beide aanduidingen wijzen erop dat dit bedrijf lange tijd een mannenzaak is geweest. En wat dacht u van de school-meestersstand? Waren dat de eeuwen door geen gedreven bijschavers?

De aa > ao. Grappig is dat die klinker zo gezegd zich het ‘raffineren’ in ons taalgebied niet overal heeft laten welgevallen, wat evenzeer geldt voor voornamer talen. Hoe beschaafd is immers beschaafd? Small talk vinden de Engelsen heel netjes klinken, met het mondje bijna dicht!
o ao > a of o. Als het voegwoord maor in een gesproken zin wat in de verdrukking komt en snel wordt gezegd, valt ’t op dat er een mor- en een mar-streek bestaat.
. Tevens roert de aa zich nog meer en verschuift: aa > ee in o.m. leeg voor laag. Kijk ‘s, hoe leeg ’t wèèter is!
o Onze voorbeeldzin toont dat de ee ook met ‘de bek wijd open’ gezegd kan worden: aa > èè. Dat is het geluid dat schapen maken, of netter gezegd klinkt als in het leenwoord misère. Wèèr is d’n schèèresliep gebleve, die op z’n baggerlèèrze in de maond Mèèrt hoisteromop hêêl de Wèèrd dee?
Zo lopen er veul schaope – schèèpe (ook gespeld als: schaepe) rond in de Waord – Wèèrd. Hoe die isoglossen (= grenslijnen die gebieden afbakenen, waarbinnen een bepaalde klank voorkomt) precies lopen, is volop in onderzoek. Een extra moeilijkheid is namelijk dat zo’n ao-èè spraaklijn zelfs per woord kan verschillen.
o Eveneens houdt de lange plus de korte a van stuivertje wisselen: a(a) > o. Dat is al heel oud; in vader Cats’ werk kom je al tegen in stukken borsten en het huidige SN kent immers iets soortgelijks: onbeschoft is mogelijk afgeleid van onbeschaafd. Een zin als: Onder de schafttijd van Manus veroorzaakte een rat naast hem haast paniek, klinkt als: Onder de schoft van Mosse broch ’n rot nost ‘um host peniek.
En ‘af’ klinkt oostelijk als of: ’t Is of tussen die twee = Ach, de verkering is uit!
o We gaan nog even terug naar af, naar de korte a. Die blijft gewoon die wijde a, maar u hoeft niet vreemd op te kijken dat een paar kilometer verder de jongen, maar vooral de ouden anders piepen, en die i.p.v. de a > e zeggen. Een zin als: Ik zel die ker wel trekke, da ken jij nie, rolt vlotter uit hun mond dan de a’s.

Nu de e(e) > i(e). De ker om mest uit te rijden heet in de Lekstreek ’n misseker. De e in mest hoor je als een i; vooral voor de n en de m, bijv. mit immers (= emmers) beurt zoiets nie. Ik kin gin meelij hebbe mit Hindrikke, van die krint van ‘n vint krijg je gien cint, dink ik. Steeg > stigt, geen > gien / gin, wat afhangt van de ritmiek en de plaats in de zin. Dat e wel ie was, hoor je nog in de oude berijming van Ps. 63:2: ‘Óch, wierd ik derwaarts weer geleid’. Is dat klassieke ‘derwaarts’ ‘bepalender’dan de termen ievers (= ie waar) of iewers? Beide ie’s zijn in deze bijwoorden opnieuw blijvertjes.
o De e is een echt strevertje, dat van de 5de plaats in ons alfabet hier en daar naar de 1ste klautert: e > a voor de r. Je zou ’m toch ’n klap om z’n harses geve. Kerkenwerk > karkewark, echter niet overal in de Waard hoor je dit, weer wel in de Landen, evenals een oude zegswijze inzake de hooiopslag: ‘n Barg is arg, ’n schuur is secuur. Wie helpt mee o.m. de grenslijnen van verref- varref-vurref of die van kerse- karse-korse te traceren?
o Ook in woorden zoals Kerstmis, pers en vers vindt de e de 15de wel aardig: e > o.
o De ee > eu, zoals in veul, speule, veur en teuge, echter niet overal, in Sliedrecht e.o. zijn ze d’r tege.
o Dat i-achtige bij de e van daarstraks doet zich ook voor bij de ee > êê, m.n. voor de n en klinkt dan als de ee voor de r, zoals in beer: been > bêên en teen > têên.
Deze hoor je ook in de tweeklank van: êêuwig.

i > e. Weer winst voor het A&V. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat men in ouder Nederlands eveneens sprak van hette, wat nu in gewoon Nederlands ‘hitte’ is.
o Terreinwinst vind je bij e > i in bijv.: met enkele mensen > mit inkelde minse.
o Hier tegenover een schadepostje i > u, ‘dit’ wordt gerond tot dutte in een typerende zin uit onze werkopdracht: dutte mit tutte te vergelijke.

We maken een overstap naar de 15de letter, de klinker o(o). Daarbij doet zich ietewat êênders als bij de ee veur: oo > ôô. De oo in bôôn spreek je uit als die in boor. Maar niet alleen voor de n als in wôône, maar ook wel voor een d, l en t, bijv. brôôd, kôôl en bôôt. Doch niet alle AV-ers spreken ‘met twee tongen’: oosterlingen wôône hier of daor, terwijl westerlingen ievers-daer weune. Weet u nog uit grootmoeders tijd dat er veur stokes gezurgd mos worde? Kolen kopen werd echter niet overal tot: kôôle kôôpe.
o Idem dito komt de wissel oo > eu herhaaldelijk voor: zo is wel het pèèrd uit de zgn. rosmolen foetsie, maar we kennen nog wel ’n meulepèèrd van ’n mins = ’n grof gebouwd vrommes.
Tekenend in dit opzicht is dat ‘gekrookte rieters’ geen duimbreed wijken van het oude en staan op de oo uit Jesaja 42:3 (S.V.).
o De o > u in o.a. vurt, sturm, urgel, gewurm en heeft zelfs voor een spraaklijn dwars door ons streektaalgebied gezurgd. Deze zgn. butter-botterlijn valt vrijwel samen met de grens tussen de Waard en de Vijf-landen, westelijk smeren ze butter op d’r brôôd en oostelijk bottert van alles.
Even een tussenlanding: in feite wordt in woorden als boter, hoogte en schotel > botter, butter, hocht, hucht en schuttel de lange oo verkort tot o of u. Hoor je ook in hofd, gekokt en in meer werkwoordsvormen als: We moste vrom komme, mor we kwamme nie.

o N(o)u is de u(u) aan bod. Het omgekeerde u > o is het geval bij o.a. twee vertegenwoordigers van de vijfde scheppingsdag: bukking is bij ons bokkem en bij de mus bleef de o in mos (=huispoep) bewaard. Wel aardig dat Hildebrand in zijn Camera Obscura ’t nog over mossen heeft in ‘Een oude kennis’. Zijn schets begint met hoe op een brandendhete vrijdagachtermiddag de hitte zo hevig was dat de mossen (uiteraard nog met ssch gespeld) op het dak gaapten. Nou vallen ze bij ons van ‘t dak!
o Eveneens kent de uu kuren, wat we al zagen aan het woord waarschouwing: uu > ou. Dit brengt ons bij een bordje ‘Gelieve niet te spuwen’. Als opschrift in kerk of omnibus verwees ’t naar tebaksproimers, die hun speeksel binnensmonds hoorden te houden. Dat ‘spuwen’ heeft nevenvormen als: spouwe spuge, spuige en spoege met een tweeledige betekenis: het hoort bij braken, overgeven of kwaoiere en toen kon je iemand op z’n vessie spuge, maar wie draagt er nou nog een driedelig pak?
o
o Een ander toonbeeld van uu > ou: O, die AV-speurders, dat binne me deurdouwers.
Of mogen we aannemen, zoals hierboven al gereleveerd is, dat hiero ten rauwste de oude situatie gehandhaafd is. Behoudend als onze ‘eigenheimers’ zijn, stonden in onze jeugd hier en daar nog broederlijk vereend op het boekenrekje de Bijbel en Alle de wercken van Jacob Cats, waarin was opgenomen diens handboek: het Houwelyck anno 1625. Daarin deelt hij wijze lessen uit, o.a. staat in het voorwoord dat hij noch tot oneerlickheyt, noch tot geckernye, maer tot stichtinghe schrijft, en dat heuselick immers so verre onze swacke penne de tale heeft connen toereyken.
Is dat ook niet het streven van deze redactie geweest?
We maken nu een zwenking naar de tweeklanken. Niet alleen de klinkers, maar ook een paar ‘diftongen’ zijn dwarsleggers in de streekspreektaal. Zo wordt de au-klank evenals de gapende aa met opengesperde mond gezegd, wat vrijwel ook opgaat voor de ou.

P.S. Wat de schrijfwijze betreft van de au/ou en de hierna behandelde ei/ij, hebben we ons wat rekkelijk opgesteld. In de woordenlijsten, etc. vind je resp. au of ou en ij of ei gespeld om wat dichter bij het vertrouwde beeld en de uitspraak van bijv. keind en kaind te blijven.

De 25ste letter uit ons ABC, de ij van het getal vijf in Vijfheerenlanden klinkt immer(s) nog zeventiende- eeuws als vaif. Daor hebbe die taolwegers pain in d’r laif van.
Zou je die ei-uitspraak niet als een vorm van hypercorrectie kunnen zien: een grote (= wijde) mond opzetten was toch ongepast?
Het koppel ij/ei heeft een verschillend verleden en daardoor is het een probleem apart. Doorgaans hoor je hier weinig verschil in uitspraak, beide worden a(a)i-achtig verklankt, maar de Ameidenaren gebruiken de netter klinkende variant ei in o.a. hun plaatsnaam Ameide, doordeweeks Termei, terwijl het buitengebied ’t verminkt tot Termaai. Daar rijmt die aai op het Duitse: eins, zwei, drei.
o Het Sliedrechts e.o. is in dit opzicht eveneens fijnbesnaard: ei > aai en ij > ai. En wist u dat de schooljeugd daar nooit gin moeite had met dictees vol woorden waarin zgn. korte of lange ij’s voorkwamen? Je prevelde ze gewoon in je moederstaal en paste de tegendraadse regel toe: de ei’s in ‘treinreiziger’ klinken lang, dus korte ei en in ‘rijstebrij’ hoor je korte, dus schrijf je lange ij’s.
Een fraai staaltje van eigen wijsheid, ja toch! Wist u dat de aai-uitspraak in maaikarse dichter bij de waarheid blijft dan meikerse zeggen, want die waren pas rijp tegen de hooibouwtijd, dan werd er gemaaid en dat gebeurde nog niet in de maand mei.
o Toch is het met die ei niet overal koekoek-één-zang, want alom verneem je dat de ei een overstap maakt: ei > èè, wat klinkt als in het plat Haags: Opoe hiel van rèèze, of neem ter ore de trotse constatering: Wèènig dwèèle van mèède hemme in de Wèèrd gehad. Er is zelfs betekenisverschil te horen: Zaoterdasaoves gonge we in de tèèl en de bôône wiere op tail gezet.

Nog twee valreepklanken: de ieu > uu of uu(t), in nieuw > nuuw of nuut.
o De ui > u(u) in o.a. duzend, d’n duvel, guste koei.
o De ui > oi, deze klinkt erg o-achtig met j-naslag: Ouwere Termeienaore hieuwe van oitgaon, maor wel saomen oit en saome tois.

We gaan nog even bezien (= bouwe) hoe het medeklinkergewas erbij staat. Wel volstaan we mit inkeld de d/t > i/j en de n aan te stippen. De d of de t zitten soms zo klem tussen klinkers dat deze verslappen tot een j (ook wel als i weergegeven of helemaal niet). Denk maar aan de paardenliefhebbers van de Alblasserdamse club: ‘Glijen en Rijen’.
We schrijven een i, als het SN dit doet: zoals: ‘dooie diender’, anders kiezen we voor de j: opreeje, brôôje uitvinte.
o De slot-t ingeslikt. De Lekstad Vianen is niet alleen politiek een filiaal van het Utrechtse geworden, maar ook in talig opzicht. U kent die Vianese opluchting als het weer wat opknapt? Dan bemoedigen ze elkaar met: ‘De luch lich in de Wes’.
Om niet te verdwalen in de ruilverkaveling van nog meer klanken laten we ‘t hierbij. In het volgende hoofdstuk en in ons woordenarsenaal treft u nog andere voorbeelden van ‘uitschieters’ aan en van het weglaten en hutselen (= hussele) van klanken.
o De n kan dominant optreden en de voorgaande klinkers ook tot neusklanken maken: let eens op de zegging van mense, en ongans in een kreet als: Mense, mense, vrete die schaope d’r eige nie ongans an dat natte gras?